Stinzenflora in Fryslân

Stinzenflora in Fryslân – Spitten in het verleden

Met het Friese woord ‘Stinze’ werd oorspronkelijk een stenen gebouw aangeduid. Het is dus vergelijkbaar met het woord ‘Steen’ in Vlaanderen. In vervlogen tijden waren stenen huizen iets bijzonders, ze straalden macht en aanzien uit. Bij deze statige buitenplaatsen hoorden landgoederen waar al gauw hoven van playsance werden aangelegd, met allerlei in- en uitheemse soorten planten. Sommige daarvan, vooral voorjaarsbloeiende bolgewassen, deden het buiten verwachting goed, ze verwilderden, en konden zich tot vandaag handhaven, soms in grote dichtheden. Dergelijke adellijke domeinen kwamen in bijna heel West-Europa voor. Maar het is in Friesland dat de bijzondere planten die vaak massaal bij deze states werd aangetroffen, in de eerste helft van vorige eeuw door Dr. J. Botke voor het eerst werden beschreven als ‘stinzenplanten’. In die strikte betekenis gebruikte ook Douwe T.E. van der Ploeg het woord. In zijn boek ‘Stinzenplanten, bloemenpracht rondom friese stinzen en states’ (1988) beperkte hij het gebruik van het woord ‘stinzenplanten’ tot een twintigtal soorten; een aantal vaak voorkomende begeleidende soorten rekende hij niet tot de eigenlijke stinzenplanten en noemde hij ‘bijgoed’. Het woord “stinzenplant” sloeg aan bij plantenliefhebbers in Nederland en Vlaanderen, en werd al gauw gebruikt voor vergelijkbare situaties bij allerlei voorname oude woningen, ook buiten Friesland. Maar het soortenassortiment was natuurlijk niet overal hetzelfde, en zodoende verschoof de inhoud van het woord ‘stinzenflora’ enigszins.

Aangezien ‘Stinzenflora in Fryslân’ uitsluitend de stinzenflora behandelt zoals die in Friesland kan worden aangetroffen is het logisch dat de auteurs er voor gekozen hebben vrij getrouw de enge definitie van D.T.E. van der Ploeg te hanteren. Dit boek werd immers uitgegeven in samenwerking met Landschapsbeheer Friesland. Projectleider was Jan Piet de Boer. Er hebben overigens nogal wat auteurs en redacteurs aan meegewerkt. Rita Radetzky begint met een boeiend historisch overzicht van de tuinkunst in Friesland. In haar bijdrage vernemen we veel over de stijlevolutie in de tuinaanleg door de eeuwen heen, maar weinig over stinzenplanten. In het volgende hoofdstuk licht Hein Koningen de evolutie toe van siergewas tot stinzenplant. Wim Baas beschrijft vervolgens hun algemene biotoopvoorkeuren. Centraal in het boek zit een soort-per-soort overzicht met per soort een beknopte bespreking. Daar heeft Heilien Tonckens de hand in gehad, al valt dit nergens uit op te maken. Wie de vindplaatsen in Friesland zelf wil bezoeken zal zijn voordeel kunnen doen met het overzicht van de adressen en bijhorend plannetje. Het hoofdstuk over het onderhoud van stinzenvegetaties, van de hand van Hein Koningen en Wim Hoogendam getuigt van veel ervaring en gedetailleerd waarnemen. Het boek is aangenaam verlucht met veel mooie kleurenfoto's, waarvan de meeste van de hand van Martin Stevens. Hoewel er naar verluidt 3 jaar aan dit boek gewerkt is lijkt het hier en daar toch wat haastig in elkaar gestoken. In de overzichtstabel op p. 90 is bijvoorbeeld de Bonte krokus vergeten. Maar het is al bij al een vrij gedegen inleiding en de prijs maakt veel goed.
Johan Heirman

 

Stinzenflora in Fryslân
Diverse auteurs
ISBN 978 90 330 0779 8
19x26 cm, paperback, 128 pp., f.c. ill.
Uitgever: Friese Pers Boekerij/Landschapsbeheer Friesland
Prijs: € 17,95